tekst Cherubijnen

preek D. Tanja 1-07-2007

preek Ditska Tanja zondag 1 juli 2007 onderwerp: "als ik een schaap was..."

"In ieder geval niet psalm 23!" Ik wist dat de pas weduwnaar geworden oudere man vaak een uitgesproken mening had. Die mening had hij ook toen ik hem vroeg welk gedeelte uit de bijbel passend zou zijn om te lezen bij de begrafenis van zijn vrouw: "in ieder geval niet psalm 23". Wat er ook gelezen zou worden, in geen geval die psalm. Een psalm die juist bij uitvaarten heel veel gebruikt wordt. Onder dominees gaat de roddel over de collega's die voor uitvaarten een preekje over de psalm klaar hebben liggen. Daarin hoeft alleen nog maar de naam en een enkele bijzonderheid ingevuld te worden. De vraag 'welk bijbelgedeelte?' wordt niet eens gesteld; je krijgt ongevraagd een overweging over psalm 23.

De psalm roept uiteenlopende reacties op. En veel reacties; alleen al het intypen van 'psalm 23' in een zoekmachine leverde mij de afgelopen week 1.780.000 hits op. Die ik dus niet allemaal heb kunnen bekijken. Maar een kort overzicht maakte duidelijk dat de psalm breed gebruikt was en wordt. Van George Bush (in zijn toespraak na de aanslagen op de torens en het Pentagon in 2001) tot aan een rap van rapster Notorious B.I.G. Van de film over de ondergang van de Titanic tot aan de begintune van de sitcom over The vicar of Dibley. Van de klassieke muziek van Leonard Bernstein (Chichester Psalms) tot aan de song Love Rescue Me van U2. En dan hebben we het nog niet eens over de vroeger veel voorkomende geborduurde wandteksten De HEER is mijn herder. Of over de vele gedichten naar aanleiding van psalm 23. U hebt er vanmorgen een viertal van gehoord en ik heb mij moeten inhouden om er niet nog meer te laten horen. De keus was niet makkelijk.

Bekend, psalm 23? Zeg maar rustig overbekend. En toch, toch merk ik elke keer iets nieuws als ik de psalm lees en wat bestudeer voor een uitvaart (want ook bij vragen de mensen regelmatig om juist deze psalm, alleen probeer ik er dan telkens een nieuw 'verhaal' van te maken). Ook nu ik deze week wat tijd had om er wat langer mee bezig te zijn, kreeg ik niet het gevoel met oude koek bezig te zijn. Integendeel. Zelfs deze zo bekende en relatief korte psalm bergt nog heel wat onbekende, telkens weer verrassende kanten in zich. Een paar ervan worden door de uitgekozen gedichten als het ware belicht.

Neem het 'ik' van de psalm. Het gedicht van Karel Eykman gedicht van Karel Eyckman (in eerste instantie voor kinderen bedoeld, maar daarom juist voor volwassenen zo aansprekend) zet daarmee in. Was 'ik' een schaap. Hier is een mens aan het woord die vanuit diepe ervaringen spreekt. Moeilijke ervaringen zoals het verdwaald raken. Eykman noemt dat, haast wat spottend: 'stom' en dat klopt meestal ook wel. Verdwalen komt niet zelden door onze eigen-wijsheid, een andere weg kiezen terwijl je beter weet. Of de ervaring van het gevaar, hier anno 2000zoveel in de stad meestal niet in de vorm van leeuwen en wolven, maar vaak net zo verslindend en onverwacht optredend. Maar deze 'ik' heeft ook positieve ervaringen; groen grasland, fris helder water. Het klinkt als het Utopia waarheen zo velen tegenwoordig haast wanhopig naar op zoek zijn, al dan niet met hulp van verdovende middelen. Vaste grond onder voeten, opnieuw moed vinden, verder durven gaan; dat zijn ook ervaringen die deze 'ik' van de psalm heeft meegemaakt en die hem, haar doen zingen van vertrouwen.

Toch blijkt dat 'ik' niet voor iedereen zo makkelijk in de mond te nemen. Het tweede gedicht gedicht van Anton Korteweg dat wij hoorden steigert er hevig tegen. De dichter wil helemaal geen schaap zijn en ergens kun je hem geen ongelijk geven. Niet als het inhoudt dat je, toch al verstrikt in allerlei dubbele gevoelens, jezelf dan ook nog weerloos, klein, onmachtig, één van de heel velen, niet geteld, niet in aanzien moet voelen. Een mens die zonder eigen wil en zonder keus alleen maar dankbaar moet zijn. Die niet te veel eigen dingen heeft in te brengen. Een nederige houding die er, zeker in het verleden, regelmatig in gehamerd is bij kerkelijk mensen. Wij waren niet meer dan onwetende, machteloze schapen die hoogstens ja en amen mochten blaten tegen de hoge heren die zich als onze herders opwierpen.

Het blijft dus een open vraag of dat 'ik', wat in de psalm zo nadrukkelijk naar voren komt, ook nagezegd kan worden. Niet altijd, niet door iedereen is de voorlopige conclusie. Ik vermoed, nee weet wel haast zeker, dat het al of niet mee zeggen en zingen van de psalm ervan afhangt in hoeverre je in het leven zelf de ervaring van kunnen vertrouwen op een ander, op de Ander hebt meegemaakt. Dat zijn geen dingen die aan te leren of door te geven zijn. In (zoals de psalm dat noemt) het dal vol schaduw van dood zelf heerst alleen duisternis, angst, niet weten of je er ooit nog uit komt. Pas later, achteraf kun je de ervaringen die je hebt opgedaan, duiden als: daar en toen ben ik geleid, opgevangen, gedragen. Wie dat ooit ervaren heeft, kan zich waarschijnlijk makkelijk aan dat vertrouwen overgeven: was ik een schaap.

Het is trouwens ook wel oppassen dat we het allemaal niet te mooi, te dierbaar maken met deze psalm. Herder-zijn was, zeker in de tijd waarin de psalm ontstaan is, geen fijn baantje voor nobele lieden. Hard werk, laag in aanzien. Bij herders moest je maar niks kopen, je werd altijd door ze afgezet, schreven de rabbijnen. De stok in hun hand was zo'n stevige knots die vooral bedoeld was om mogelijke vijanden een flinke mep mee te verkopen en bovenaan de staf zat meestal een stevige haak. Daarmee kon je het weglopende schaap pootje lichten, want erg zachtzinnig gingen de herders niet om met de aan hen toevertrouwde dieren. Anders (hoop ik in ieder geval) dan wie zich tegenwoordig herder, pastor noemen. Hoewel je ook dan er soms goed aan doet niet al te soft te zijn. Maar dit terzijde.

Naast het 'ik' van de psalm is er dus ook die herder. Zowel in het Eerste als in het Tweede Testament zijn er heel wat dwarsverbanden met de herder van psalm 23 te vinden. In het Eerste Testament valt bijvoorbeeld te denken aan de profetie van Ezechiël over goed en slecht herderschap. Daarin valt striemende kritiek te lezen op de slechte, corrupte herders, lees: leiders van het volk. David, de herder-koning wordt tegenover die slechte, corrupte herders als ideaalbeeld van de goede herder genoemd. In het Nieuwe Testament wordt van Davids zoon, Jezus, ook verteld dat hij de goede herder is. Niet alleen in de gelijkenis in het evangelie van Johannes. Ook in het verhaal van de spijziging van de grote schare, zoals Marcus dat vertelt. Jezus, bewogen over die schare, omdat zij zijn als schapen die geen herder hebben, laat de mensen in hetzelfde groene gras als dat waarheen van psalm 23. Niet alleen met woorden, ook in daden laat Jezus zich kennen als de goede herder.

De dichter Kopland gedicht van Rutger Kopland verbindt de figuur van Jezus op een heel bijzondere manier met psalm 23. Het groene gras, de grazige weiden en stille wateren blijken, waarschijnlijk tot onze schrik, het decor waartegen de tot lam geworden goede herder aan het kruis hangt. Lieflijk, vrede, rust; het contrasteert wreed met de verschrikking van het kruis. Het paradijs is tot een plek van lijden geworden en dat roept vragen op. Veel vragen waarop de dichter, en hij is de enige niet, geen antwoord weet. Vragen die dus door blijven zeuren, ook in ons hoofd. Hoe zit dat nu met de belofte van rust, vrede waarnaar we allemaal zo verlangen en de wereld om ons heen die vaak zo wreed, lelijk, smerig, kapot is? Wat kunnen we aan met een herder die zelf ook kapot lijkt te gaan aan de gebrokenheid van de wereld? Kun je daar nog op vertrouwen, of ben je dan bezig jezelf te bedotten?

De dubbelheid, gebrokenheid zit ook in de psalm zelf. Het zijn niet alleen maar groene weiden en stille wateren, maar ook dat dal voor schaduw, vol dood en er zijn benauwers, vijanden, tegenstanders. Tussen die uitersten zwenkt de psalm heen en weer. Misschien is dat maar goed ook. Zonder weet te hebben van het donker, valt het licht niet te onderscheiden. Juist omdat de psalm ook de donkere kant van het leven benoemt, kan er sprake zijn van dat vertrouwen. Wat zo prachtig, in slechts een paar woorden door het laatste gedicht wordt aangegeven gedicht van Geert Boogaard Een ziekenkamer, sterfkamer, waarin eigenlijk alleen die paar woorden van de psalm voldoende zijn om troost, bescherming te vinden. Want gij zijt bij mij. Woorden die het midden van de psalm vormen. Het midden waarin de dichter niet meer over God praat, maar zich tot God richt. Omdat een mens, soms, in het zwartste zwart, ineens God bij zich weet en zich aan hem kan overgeven. Met alle vragen die er blijven, toch je kunnen overgeven: Was ik een schaap, dan wist ik het wel.

 

 

Psalm 23 volgens de Naardense bijbelvertaling
De Éne is mijn hérder,
míj zal níets ontbréken;
in weiden vol gróen vlijt hij mij néer,
hij voert mij mée naar wáteren van rúst;
mijn ziel keert door hém in mij terúg,
hij leidt mij in sporen van gerechtigheid
omwílle ván zijn náam!
Ook als ik moet gaan
door een dal vol schaduw van dood,-
kwaad zal ik niet vrezen,
want gíj zijt bíj mij;
uw staf en uw stok,
díe zullen míj vertróosten.
Gij bereidt
voor mijn aanschijn een tafel
tegenóver mijn benáuwers;
gij zult mijn hoofd betten met olie,
mijn béker is óvervól!
Mij achtervolgen
slechts goedheid en vriendschap,
al de dágen van mijn léven;
terugkeren mag ik in het huis van de Éne
in léngte van dágen!