tekst Cherubijnen

preek Ton Honig 17-09-2006

zondag 17 september 2006 / Dominicuskerk Amsterdam

DE AANRAKING Lucas 15:11-32

Er zijn momenten waarop ik me erg bewust ben van mijn eigen kwetsbaarheid. Een koorddanser, wankelend op zijn koord en daaronder slechts een peilloze diepte. Of, een ander beeld, als een klein jongetje, verdwaald in een groot warenhuis. Om hem heen overal benen van vreemde grote mensen. En nergens de stevige hand van een vertrouwde ouder. Op zulke ogenblikken vraag ik wel eens aan iemand die me echt dierbaar is: 'wil je me even vasthouden?'
Een oude man lag op sterven in een verpleeghuis, Twee dochters en een zoon bezochten hem vaak en regelden zijn zaken. Kort voor het overlijden verscheen ook hun jongste broer ten tonele. Hij had ruim 15 jaar geleden het contact met zijn vader verbroken, maar voelde dat deze verwijdering zijn innerlijke vragen en leegte niet had opgelost: hij miste zijn vader. De drie overige kinderen verdachten hem ervan dat hij alleen vanwege de erfenis zijn gezicht liet zien. Ze voelden zich gekrenkt door de intense blijdschap van hun vader om het weerzien. Wat betekende eigenlijk hun jarenlange trouw in de ogen van hun vader? Tussen broers en zussen kan veel competitie en concurrentie zijn. Ofschoon bijna elke ouder bij hoog en laag volhoudt van alle kinderen even veel te houden, lijkt ouderliefde soms op een taart die wel in heel ongelijke stukken tussen verjaardagsgasten wordt verdeeld. Het doet pijn om je minder bedeeld te voelen, te weinig gezien en onvoldoende gewaardeerd.

Het verhaal van Lucas over de liefde van de vader voor twee zoons gaat enerzijds over het eeuwenoude drama dat familie heet. John Cleese voorzag zeker in een behoefte met zijn grappige boekje 'Hoe overleef ik mijn familie?'. Anderzijds staat naar mijn idee een van de mooiste emoties van het leven, de blijdschap, centraal. Helemaal aan het begin van zijn boek vertelt Lucas ons het kerstverhaal. En daar lezen we dat de geboorte van het kind Jezus niet alleen vreugde geeft aan de direct betrokkenen, maar dat de hele wereld er in zal delen en dat daarmee elk onderscheid tussen betrokkenen en niet-betrokkenen is weggevallen. Ongedeelde blijdschap is geen blijdschap. En bovendien blijkt die blijdschap verbonden te zijn met vinden van dat wat we als verloren beschouwden. Uit de grote mate van blijdschap die de vader ervaart, kunnen we omgekeerd evenredig opmaken hoe groot de angst en het verdriet geweest moet zijn over het verliezen van het contact met zijn zoon. .

Jezus vertelt dit verhaal om te verbeelden wat de Eeuwige met mensen doet: zij zoekt ons telkens, non-stop, wanneer we hopeloos vermist zijn om ons thuis te brengen uit onze ballingschap.

Ook de zondaar zet de blijdschap niet op de tocht. Die wordt in het verhaal immers gevonden. De zonde die hier bedoeld wordt is vervreemd zijn van je bestemming en geen verbinding meer hebben met het verhaal van de Bevrijder. Een mens als een schaap zonder herder. De zonder is geen slechterik, maar de ontheemde. Een mens die los geraakt is van elke warme sociale omgang, alsof een vreemde macht of mogendheid hem of haar heeft weg geroofd.

De grootste bedreiging voor de blijdschap komt uit de hoek van zogenaamde rechtvaardigen: mensen die menen niet door iemand gezocht te hoeven worden omdat ze er al helemaal zijn. De spannende vraag van dit verhaal is of het hen lukken zal om een gigantische draai van 180 graden te maken. Leren om vanuit hun eigen kwetsbaarheid blijdschap op te brengen over het hervinden van diegene die we toch echt definitief; verloren waanden. Wie zulke blijdschap niet kan opbrengen, kan alle pretenties ten spijt, geen rechtvaardige zijn. Hij of zij is de schurk die niet graag heeft dat de Eeuwige overvloedig goed is. Het opgestoken vingertje van de kerk is een duidelijke vorm van deze zonde, die mensen veel pijn heeft gedaan. Zedenpreken die mensen uit elkaar drijven.
De jongste zoon is aanvankelijk behoorlijk veeleisend. Hij eist het deel op dat hem naar zijn mening toekomt. Zijn hebberigheid wordt aangedreven door zijn angst om te kort te komen. Het lukt hem niet om het bestaan te delen in het gezelschap van zijn broer. Deze gelijkenis gaat niet over de rebel Wilde Eddy, die met een knal de deur van het ouderlijk huis achter zich dicht slaat, de kwade en rosse wegen bewandelt in het zondige Amsterdam en dan -het liefst op kerstavond- berooid en tot inkeer gekomen, terugkeert naar zijn ouders in de provincie. Het gaat om het opeisen van het menselijk bestaan, niet meer willen delen met je mede-erfgenamen. De aanwezigheid en belangen van anderen aan je laars lappen. Geen autonoom mens in de goede zin van het woord, maar zo selfmade dat je denkt de liefde, zorg en respect van dierbare anderen helemaal niet nodig te hebben.
De vader levert niet op bestelling het deel dat zijn jongste zoon opeist. Er staat: 'hij deelde beide zoons het leven toe'. De vader heeft er weet van dat de jongens op elkaar zijn aangewezen. Maar de jongste graait resoluut bij elkaar wat hij denkt nodig te hebben. Hij gaat weg van zijn volk (in de bijbel vaak een eufemisme voor sterven!). Hij gaat naar een 'ver land'. Dit ver weg zijn betekent hopeloos afgesneden zijn van je eigen plek. Hij verstrooit zijn leven, zegt Lucas. Dat betekent nog niet perse dat hij de bloemetjes buiten zet. Het verstrooide leven is een levensvorm waarbij je leven in niks meer lijkt op wat het had moeten en kunnen zijn. De oudste broer heeft de exacte feiten niet nodig: natuurlijk is zijn broer zichzelf kwijt geraakt in seks, drank en rock and roll. Zijn vermogen om met mededogen naar zijn broer te kijken is helemaal opgesoupeerd.

Het bestaan van de jongste is helemaal ontledigd in het verre land. De dagen verschrompelen omdat er geen voedingsbodem meer is. Nog niet dood, maar zeker niet in het land der levenden. Maar het morele oordeel van zijn broer is wel een behoorlijke doodsteek. Zitten te midden van de varkens komt hij in de leegte tot zichzelf en groeit in hem een plan: 'Ik zal opstaan (niet alleen het kerstverhaal klinkt mee in het verhaal, maar ook pasen!) en uitgaan tot mijn vader en tegen hem zeggen...'.

Resoluut vertrokken, maar doordacht aan de terugweg beginnen. Een gesprek aangaan met vader en hopen op zijn ontferming. En hij ging, zegt de tekst. Maar gaat zulk gaan wel lukken? Kan een mens die zo op een dieptepunt zit zijn eigen opstanding wel voltrekken?

Dan volgt de regel die mij het meest ontroerd: 'terwijl hij nog verre was, zag zijn vader hem'. De jongen was nog heel ver van huis en schoot voor zijn gevoel geen stap op. En dan wordt je gezien. Wanneer er op die manier gekeken wordt, komt een mens helemaal in beeld. Met alle lekken en gebreken en dan toch niet afgeschreven of afgedankt. Als mensen zich met respect en liefde gezien weten, transformeert het dode zich tot iets intens levends. Daar woont ineens echt geluk en zo'n enorme. blijheid.

Maar, 0 hel! Een wanklank. De oudste komt terug van het veld, man van stugge trouw, de werker die niet van lapzwansen houdt. Wat is hier in godsnaam aan de hand, vraagt hij zich af. Zijn het verontwaardiging, woede en jaloezie die zich samenballen? Het leven keert zich tegen hem. Hij voelt zich dood van binnen en ijskoud naar zijn vader. Wanneer ouders soms aan kinderen geven kan dat bij broers of zussen ook rancune opleveren. Alsof de gave aan hen jou bij een gemis bepaalt. Heel even die gedachte: 'en ik dan?'. En dan meteen weer schaamte over die gedachte. De oudste zoon is niet meer de brave burger, die wetten en regels prefereert boven menselijkheid. Ineens is hij de kwetsbare geworden en verspringen de rollen. Waar is mijn plek in de familie? Word ik wel gewaardeerd? Een stem van binnen: 'en ik dan?'

Maar zegt het verhaal: 'ook tot hem ging de vader uit'. De zoon is boos op vader. Vandaag zou, ter gelegenheid van die sul die met zijn staart tussen de benen teruggekomen is, een feestdag moeten zijn, terwijl er voor hem na al die jaren hard werken geen party afkan. Maar het is toch ongelofelijk datje broer helemaal naar de verdommenis was en er nu toch weer bij is?, oppert vader. Maar de oudste haat zijn broer en distantieert zich van hem en zijn vader. .

En vader? Die accepteert dit afscheid niet. 'Kind', zegt hij, een koosnaampje. Vader blijft het gesprek aangaan over blijheid en eerst heel erg dood en nu toch heel levend.

En de oudste? Lucas onthoudt ons in het verhaal zijn reactie. We blijven daardoor met de spanning zitten of hij zich laat raken in zijn gekrenktheid. Of hij zich er ondanks jalouzie, boosheid en schaamte, toch weer bij laat trekken.

Dit open einde laat ons hoorders of lezers van het verhaal de mogelijkheid om onze eigen geschiedenissen in het verhaal te leggen en te denken of te dromen over onze ontknopingen.In alle drie de verbeeldingen van Rembrandt van het verhaal over de verloren zoon omhelst de vader zijn zoon. En die omhelzing, die aanraking, is het logisch gevolg van een kijken naar de ander dat hem of haar wel heel erg in zijn of haar waarde laat. Zulk zien en omhelzen is mijns inziens het enige kruid dat tegen kwetsbaarheid gewassen is. In het pastoraat en de hulpverlening is er terecht veel aandacht geweest voor ongewenste intimiteit in die relatie. Rare uitdrukking eigenlijk: ongewenste intimiteit. Daar waar authentieke intimiteit bestaat kan die toch alleen gewenst zijn? Net zo raar als die andere slogan van de laatste jaren: 'zinloos geweld'. Alsof er zinvol geweld bestaat. Laten we bidden om een menselijke gemeenschap waar geen plek is voor geweld. Laten we bedacht zijn voor een burgerlijke truttige kerk, waar de ongewenste niet-intimiteit mensen bij voortduring het gevoel geeft in de kou te staan.

Ton Honig.