tekst Cherubijnen

startzondag 2008

Eerst zien en dan geloven'
overgenomen uit Markant van september 2008

Thema van de startzondag van dit jaar. Thema van de Thomas-viering die de vorm zal zijn van de dienst op die dag (14 september). Ditske Tanja heeft in Markant al eens uitvoerig aangeduid wat voor soort viering dat is. We kozen voor dit thema, omdat het direct verbonden is met de bijbeltekst waarin de figuur van Thomas centraal staat. Zo brengt dit thema ons bij de kern van wat in een Thomas-viering centraal staat: we realiseren ons dat geloven helemaal niet vanzelfsprekend is en dat we steeds naar nieuwe ingangen zoeken om te verstaan waar het dan eigenlijk om gaat.

Ervaring en openbaring
Tijdens een voorbereidingsbespreking van deze dienst in de werkgroep liturgie bedachten we dat het bij dit thema wel eens zou kunnen gaan om de aloude theologische vraag naar de verhouding tussen ervaring en openbaring. Inzet bij deze vraag is: hoe komt geloof tot stand? En: speelt de ervaring daarbij ook een rol en welke dan?
In de loop van de kerkgeschiedenis waren en zijn er die het accent leggen op de ervaring. Zijn menen dat je pas christen bent, als je persoonlijk een ervaring hebt gehad met Jezus of met God. Of: als je geloven niet in verband kunt brengen met het dagelijkse leven, dan is er wat mis. Anderen leggen daarentegen juist het accent op openbaring. Zij menen dat het probleem met bovengenoemd accent is dat je het risico loopt dat je God opsluit in de eigen ervaring en in de wijze van kijken die het leven in deze wereld met zich meebrengt. God laat zich zien via de Schrift, is de gedachte. En: Onafhankelijk van of wij dat willen danwel direct zien geschiedt hij in de werkelijkheid van deze wereld en van ons persoonlijke leven.
Aan de persoon van Thomas en de legitieme plaats die hij in het evangelie van Johannes inneemt, in Joh. 20: 19-29, zou je kunnen afleiden dat er in ieder geval bijbels gesproken niet zo'n sterke tegenstelling is tussen geloven op grond van ervaring of op grond van openbaring als wel eens beweerd wordt door de extremen binnen het christendom. Juist Thomas die wil zien voor hij kan geloven laat dat zien. In de Thomasviering is er een duidelijke opening gedacht voor God die zich laat zien via de ervaring zonder daarbij te zeggen dat het accent op openbaring dus niet van betekenis is. We willen dan ook proberen middels allerlei vormen dit accent naar voren te laten komen, maar wel degelijk ook de Schrift te laten spreken. Er is dus wel een moment van nadenken over het bijbelgedeelte waarin Thomas voorkomt. Maar tijdens het gedeelte dat traditioneel de ‘dienst van het woord' heet (het middendeel van de dienst) zal extra ruimte zijn voor het betrekken van je eigen levens- en maatschappijervaring bij de vragen van geloven.

Zien en geloven (in de bijbel)
Kijken we wat precieser naar het genoemde bijbelgedeelte bij Johannes dan is het zien waar het Thomas om gaat niet willekeurig een zien van wat dan ook. Thomas wil óók zien wat zijn medeleerlingen reeds zagen: dat degene die in hun midden was wérkelijk Jezus was. Hij meent dat dat te zien is aan de merktekens van het kruis en de dood aan het kruis: de gaten in Jezus' handen en het gat in zijn zijde vanwege de daarin gestoken lans. Hij wil zien dat Jezus lijfelijk in het midden van zijn vrienden is geweest. En sterker nog: hij wil eigenlijk zien wat allereerst Maria Magdalena en vervolgens Petrus alsmede de discipel die Jezus liefhad al op Paasmorgen zagen. Zij zagen toen een leeg graf. Hij die dood was, lag niet meer in zijn graf. Hij liep rond, gelijkend op een tuinman. Zo zag Maria Magdalena dat. Hij was kennelijk opgestaan.
Het lijkt erop dat Johannes wil zeggen dat het gezien hebben van het lege graf op Paasmorgen en de lijfelijke verschijning aan de leerlingen en nog eens aan Thomas noodzakelijk zijn om allen die na hen kwamen en het nooit meer te zien zouden krijgen te kunnen laten geloven. Ze moeten erop kunnen vertrouwen dat dat dwaas lijkende geloof in een Messias die gestorven is en weer is opgestaan wérkelijk ergens op slaat. Er zijn er die hem gezien hebben. En dat wil zeggen: in de lijfelijke werkelijkheid van het mensenleven en in het leven van de mensheid is wérkelijk iets aan de gang dat zegt dat de dood niet het laatste woord heeft.
Thomas accentueert dat dit het geval is. Hij is niet zozeer iemand die twijfelt, maar iemand die scherp wil zien. Zijn naam betekent ‘tweeling' (Didymus) en dat wil zeggen dat hij wil accentueren dat er geen vanzelfsprekende benadering van de dode en opgestane Jezus mogelijk is. Ook van God niet. Steeds weer op een ándere (tweede) manier is hij te zien. We kunnen hem niet vastpinnen op één beeld. En ook: als we er niet aan vasthouden dat het zijn handen en zijn zijde zijn die iets laten zien van Jezus, dan vergeten we wat die handen deden. Ze deden in naam van God gerechtigheid, ze genazen mensen en ze dreven geesten uit. Kortom ze zegenden en maakten heel wat gebroken was. Jezus zelf werd erdoor gebroken, het werd hem bepaald niet in dank afgenomen. Het werd ervaren door de heersenden in Israël als een godslastering. Door de heersenden in het kader van Rome werd hij ervaren als een tegenover van de keizer die zich zelf beschouwde als heer en god. Hij stierf ervoor aan het kruis.

Op verschillende manieren willen we tijdens de Thomasviering erbij stil staan wat zien en dan geloven/vertrouwen in dit verband betekent, als we kijken vanuit onze eigen ervaringen. Welke brillen hebben we op? Welke brillen sluiten misschien juist onze ogen? Welke brillen doen ons misschien juist zien en doen ons komen tot geloof en vertrouwen?

Han Dijk.